NL/BG 16.16

Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda


VERS 16

अनेकचित्तविभ्रान्ता मोहजालसमावृताः ।
प्रसक्ताः कामभोगेषु पतन्ति नरकेऽशुचौ ॥१६॥
aneka-citta-vibhrāntā
moha-jāla-samāvṛtāḥ
prasaktāḥ kāma-bhogeṣu
patanti narake ’śucau

WOORD-VOOR-WOORD-VERTALINGEN

aneka — talloze; citta — door zorgen; vibhrāntāḥ — verbijsterd; moha — van illusies; jāla — door een netwerk; samāvṛtāḥ — omgeven; prasaktāḥ — gehecht; kāma-bhogeṣu — aan zinsbevrediging; patanti — ze zakken omlaag; narake — naar de hel; aśucau — onzuivere.

VERTALING

Zo door talloze angsten verbijsterd en verstrikt in een netwerk van illusies, raken ze te sterk gehecht aan zinsbevrediging en glijden ze af naar de hel.

COMMENTAAR

Het verlangen van een demonisch persoon om geld te vergaren is onbegrensd. Het enige waaraan hij denkt is wat zijn bezit nu waard is en hoe hij die rijkdom meer en meer kan laten toenemen. Om dat te bereiken deinst hij voor geen enkele zondige activiteit terug en handelt hij op de zwarte markt om op een illegale manier voldoening te krijgen. Hij wordt helemaal in beslag genomen door de bezittingen die hij al heeft, zoals landgoed, gezin, huis en banksaldo, en hij maakt voortdurend plannen om dat alles te verbeteren. Hij vertrouwt op zijn eigen kracht, maar weet niet dat alle winst die hij maakt het gevolg is van zijn goede daden in het verleden. Hij krijgt de gelegenheid zulke dingen te verzamelen, maar hij heeft er geen idee van welke vroegere oorzaken eraan ten grondslag liggen. Hij denkt simpelweg dat hij zijn hele rijkdom door zijn eigen inspanningen heeft verdiend.

Een demonisch persoon vertrouwt dus op de kracht van zijn eigen werk en niet op de wet van karma. Volgens de wet van karma wordt men door goede activiteiten in het verleden in een voorname familie geboren of men wordt rijk of heel geleerd of heel mooi. Zij die demonisch zijn, denken dat al deze dingen toeval zijn of het gevolg van persoonlijk vermogen en persoonlijke vaardigheid. Ze hebben geen enkel besef van de organisatie achter alle verscheidenheid in mensen, schoonheid en geleerdheid.

Iedereen die wedijvert met een demonisch persoon, is zijn vijand. Er zijn veel demonische mensen en ze zijn allemaal vijanden van elkaar. Deze vijandigheid neemt voortdurend toe; eerst tussen personen, dan tussen families, vervolgens tussen gemeenschappen en uiteindelijk tussen landen. Daarom heerst er altijd strijd, oorlog en vijandigheid over de hele wereld.

Ieder demonisch persoon denkt dat hij kan leven ten koste van anderen. Over het algemeen denkt hij dat hij de Allerhoogste God Zelf is en een demonische prediker zal zijn volgelingen het volgende zeggen: ‘Waarom zoek je God ergens anders? Jullie zijn zelf God! Jullie kunnen alles doen wat jullie maar willen. Geloof niet in God. Verwerp God. God is dood.’ Dat zijn de predikingen van demonen.

Hoewel een demonisch persoon anderen ziet die net zo rijk en machtig zijn of zelfs rijker en machtiger, toch denkt hij dat niemand rijker en invloedrijker is dan hij. Hij gelooft niet in het verrichten van yajña’s of offers voor promotie naar een hoger planetenstelsel. Demonen denken dat ze hun eigen methode van yajña kunnen verzinnen en een machine kunnen construeren waardoor ze in staat zullen zijn om welke hogere planeet dan ook te bereiken. Het beste voorbeeld van zo’n demonisch persoon is Rāvaṇa. Hij legde de mensen het plan voor om een trap te maken, waardoor iedereen de hemelse planeten kon bereiken zonder de offers te verrichten die in de Veda’s worden beschreven. Op dezelfde manier zijn er tegenwoordig net zulke demonische mensen die de hogere planetenstelsels proberen te bereiken door mechanische middelen. Dit zijn voorbeelden van verwarring. Het resultaat is dat ze afglijden naar de hel zonder dat ze het zelf in de gaten hebben. Het sanskrietwoord ‘moha-jāla’ is hier heel belangrijk. Jāla betekent ‘net’; er bestaat voor hen geen uitweg, ze zijn als vissen gevangen in een net.